DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID III

Poem By Hugues C. Pernath

In mijn vreemd verdriet vermoed ik het verstijven
Van vele levens, soms de vunsheid van de bron
De lelie of het belommerd lover.
Soms vermoed ik het trillen van jouw handen
Die zich nooit zullen herhalen in de looplijn
Van de besmettelijke beproeving.
Omdat ik besef hoe ik slapeloos, mezelve vermink
Tot nutteloos zintuig, terwijl mijn weefsels versterven
In het klamme koudvuur van iedere nieuwe nacht.

En naar mijn beeld beweeg ik, naamloos
Angstiger dan voorheen, en ruil mijn galg in
Tegen de ratelende regens van het ritueel
Dat nakomelingen en vee zal slachten, gereinigd
Op de oude weg van de nieuwgebouwde staat.
Tot alles zal verloren gaan en roemloos stranden
In een duisternis waarin geen zon ooit zaden kiemt.

Als naar waarheid. Als naar leugen.
Sprekende: één taal, eenzelfde woord van onrust
In de branding verheven boven alle banden.
Ik voel de afwezigheid als een moeilijke openbaring,
Als scherven van relikwieën, van werelden, onwaarachtig
En buiten de tijd. Zo werd ik een getuige
Tegen diegene die de tolk was van mijn tederheid.
Geen slaap zal ons nog ooit verenigen, geen ontwaken
Ons bevrijden. Want mijn schaduw zal een schaduw zijn.

Comments about DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID III

There is no comment submitted by members.


5 out of 5
0 total ratings

Other poems of PERNATH

I am not sad, no tenderness attracts me

I am not sad, no tenderness attracts me,
No body will ever be able to feel mine
No other ear my confusion, my unease
In the speechless torment of language.

I no longer belong but control the trembling

I no longer belong but control the trembling
Ablaze and senile, sleepless in the past
In the things that have happened, the things
Of the days, I conjugate the pledges of pain

I dwelt in the corridors of come and go

I dwelt in the corridors of come and go
In the boundless dismay of tacky colours
Nothing's still true, no sun splits open.
No son will ever speak in this handful of life

In the loveless landscape of my solitude

In the loveless landscape of my solitude
No movement prevails that calms me, no rest
That consoles or dispatches me like a firstborn.
Proudly my blood translates the signs,

As a relative, I have hope in common with no one

As a relative, I have hope in common with no one
With no one the choice of love
With which I live alone, with which I stagger
Moving but subdued by the boundless landscape

In my strange sorrow I suspect petrifaction

In my strange sorrow I suspect petrifaction
Of many lives, sometimes the foulness of the source
The lily or the shady foliage.
Sometimes I suspect the trembling of your hands

Maya Angelou

Caged Bird