DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID IX

Poem By Hugues C. Pernath

Na deze nacht, mijn ongeloof, het kraken
Van dit voortdurend stilzwijgen, dit verbreken
Dit vereren. Deze allerlaatste poging bedwongen
Door geen woord, geen testament tegen de tijd.
In deze kamer verdroeg ik de waarschijnlijkheid,
Diegenen die alles schonden en vierend en voelend
Hun willekeur behielden tegen regel en recht.
Maar ik ben ik, en geen ander zal ik zijn
Tussen de woekerende wortels, de stralen en de waan.

Ik hoorde het kloppen van vluchtige vleugels
Over de begroeide beelden waartussen wij ontbraken,
En terwijl de regen ratelde en mijn taal je liefhad
Maakte ik me de afkeer, mijn afstand afhandig
En steeds bedwelmd, gaven geen wolken mij de aarde
En jouw leugens mij niet eens de moed van de lafaard.
Maar soms doet het glanzen van de appels pijn.

In het donker onttrokken de treden mij trapsgewijs
Aan een sterven dat mijn leven werd. Bevuild
En bekleefd met het schuim van de treurige tinten
Waarin ik ontwaakte, vulde mijn adem vreemde holten
En verzandde na de tochten die ik ondernam, na het vinden.
Ik, die als enige overlevende de vertwijfeling voelde
Die lag opgebaard, dwars door mijn voorbije dagen,
Ik ga weerloos aan dit vijfde seizoen te buiten
Want doodgaan wordt voor mij een doofheid die duurt.

Comments about DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID IX

There is no comment submitted by members.


5 out of 5
0 total ratings

Other poems of PERNATH

I am not sad, no tenderness attracts me

I am not sad, no tenderness attracts me,
No body will ever be able to feel mine
No other ear my confusion, my unease
In the speechless torment of language.

I no longer belong but control the trembling

I no longer belong but control the trembling
Ablaze and senile, sleepless in the past
In the things that have happened, the things
Of the days, I conjugate the pledges of pain

I dwelt in the corridors of come and go

I dwelt in the corridors of come and go
In the boundless dismay of tacky colours
Nothing's still true, no sun splits open.
No son will ever speak in this handful of life

In the loveless landscape of my solitude

In the loveless landscape of my solitude
No movement prevails that calms me, no rest
That consoles or dispatches me like a firstborn.
Proudly my blood translates the signs,

As a relative, I have hope in common with no one

As a relative, I have hope in common with no one
With no one the choice of love
With which I live alone, with which I stagger
Moving but subdued by the boundless landscape

In my strange sorrow I suspect petrifaction

In my strange sorrow I suspect petrifaction
Of many lives, sometimes the foulness of the source
The lily or the shady foliage.
Sometimes I suspect the trembling of your hands

Roald Dahl

Television