DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID V

Poem By Hugues C. Pernath

Ik verafschuw de schaamte, het sidderen van weleer
Toen alles meer was dan het zijn en anders niets.
Toen ieder ogenblik onbewogen, de beweging werd
Die moest herhalen wat vroeger werd verzwegen
En waartegen werd misdaan. Onmenselijk als de mens
Ver van de vele sporen, verlaat ik de waanzin
En verafschuw de waarheid die wordt verbogen
De buit die wordt verdeeld. Ik ontkom aan mijn pogen
En met de alleenspraak samen, aan diegene die ik ben.

Ik heb mijn afstanden afgelegd, mijn afdrukken nagelaten
En afgestorven, afgedaan, werd ik uit de tijd geheven
Alleen en gescheiden van de eenzaamheden en de trouw.
Schimmen bleven achter, zwellend over de drempels
Van mijn achterdocht, van mijn angst die faalt
Die terugdeinst en hunkert, door de vruchteloosheid verteerd
Naar de heerschappij van de nieuwe nietigheid.

Even ellendig als de ellende verwar ik de dagen
De moedwil en het medelijden dat de herinnering bedaart.
Van alles vervreemd, gekwetst en verdwaald
Vergeet ik de raadsels, de klagende namen die ik haar gaf.
In de vage verveling van de wonden, in dampen na de dauw
Blijft mij misschien het staren, hetzelfde aangezicht.
Alsof iemand nooit en nergens heeft bestaan, geen stem
Ooit jubelde of kloeg. De kwalen brachten geen kennis
En grijzer en verder, haar geuren geen geluk.

Comments about DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID V

There is no comment submitted by members.


5 out of 5
0 total ratings

Other poems of PERNATH

I am not sad, no tenderness attracts me

I am not sad, no tenderness attracts me,
No body will ever be able to feel mine
No other ear my confusion, my unease
In the speechless torment of language.

I no longer belong but control the trembling

I no longer belong but control the trembling
Ablaze and senile, sleepless in the past
In the things that have happened, the things
Of the days, I conjugate the pledges of pain

I dwelt in the corridors of come and go

I dwelt in the corridors of come and go
In the boundless dismay of tacky colours
Nothing's still true, no sun splits open.
No son will ever speak in this handful of life

In the loveless landscape of my solitude

In the loveless landscape of my solitude
No movement prevails that calms me, no rest
That consoles or dispatches me like a firstborn.
Proudly my blood translates the signs,

As a relative, I have hope in common with no one

As a relative, I have hope in common with no one
With no one the choice of love
With which I live alone, with which I stagger
Moving but subdued by the boundless landscape

In my strange sorrow I suspect petrifaction

In my strange sorrow I suspect petrifaction
Of many lives, sometimes the foulness of the source
The lily or the shady foliage.
Sometimes I suspect the trembling of your hands

Robert Frost

Stopping By Woods On A Snowy Evening