DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID VI

Poem By Hugues C. Pernath

Misschien mijn keuze, mijn eeuwigheid
Die niet langer duurt dan het herbeginnen,
Dan het verbannen, het verstijven van de wortels.
Soms kijk ik naar jou, soms naar jou.
Soms zijn jouw velden volgroeid, soms gerimpeld,
En terwijl dit jaar verdampt, verbeur ik
De vijf bloedige cirkels en elders mijn liefde.
En als een vergezicht vergeet ik de beduimelde wand
Waarachter zovele gluurders gloeiden.

Jij tart de roffelende dagen, de nieuwe nacht,
Ontstaan maar ontluisterd door jouw kille dracht.
Jouw huid wordt een klaterend kleed, een oponthoud
Temidden de geuren van grassige gronden.
Jouw blik huivert en glanst, en verkleurt mijn deernis
Tot een schaduw die vervaagt wat voorbij is.
Die daalt en baart. En bevriest.

Maar jaagbaar, begint ook voor jou de jacht
Het verwoorden van zien en horen, het bewonen
Van de kwade mist, van de tijd wanhopig en nauwgezet
Waarin het vluchten vermetel wordt en overbodig
Het spitten, het verstarren en het vredige deinen
Na het vervreemden, na het zuiveren van de naald.
Geen orgel zal spelen, geen boog jou beschermen
Wanneer de zaadloze afgrond van de pijn
Jouw schoonheid bedekt met de pracht.

Comments about DE TIEN GEDICHTEN VAN DE EENZAAMHEID VI

There is no comment submitted by members.


5 out of 5
0 total ratings

Other poems of PERNATH

I am not sad, no tenderness attracts me

I am not sad, no tenderness attracts me,
No body will ever be able to feel mine
No other ear my confusion, my unease
In the speechless torment of language.

I no longer belong but control the trembling

I no longer belong but control the trembling
Ablaze and senile, sleepless in the past
In the things that have happened, the things
Of the days, I conjugate the pledges of pain

I dwelt in the corridors of come and go

I dwelt in the corridors of come and go
In the boundless dismay of tacky colours
Nothing's still true, no sun splits open.
No son will ever speak in this handful of life

In the loveless landscape of my solitude

In the loveless landscape of my solitude
No movement prevails that calms me, no rest
That consoles or dispatches me like a firstborn.
Proudly my blood translates the signs,

As a relative, I have hope in common with no one

As a relative, I have hope in common with no one
With no one the choice of love
With which I live alone, with which I stagger
Moving but subdued by the boundless landscape

In my strange sorrow I suspect petrifaction

In my strange sorrow I suspect petrifaction
Of many lives, sometimes the foulness of the source
The lily or the shady foliage.
Sometimes I suspect the trembling of your hands

Maya Angelou

Caged Bird