Poem By Luuk Gruwez

Barely she still calls me mister,
the shrew that's training me.
Disguised as the dog of the house,
I must sniff at her existence
and bark when something is suspicious.

For she has the corrupted mind
of one who has been lonely a long time.
I follow the rolled hem of her skirt,
must come along to butcher and to baker,
in the evening do my tricks to get a bone,
in the morning on her counterpane I wake.

The things of which I am ashamed
are not the things that I have done,
but that I only craved:
I do want to bite into her calves,
But my teeth are no longer sharp.

Comments about HELL UNDER A SKIRT

There is no comment submitted by members.

Rating Card

5 out of 5
0 total ratings

Other poems of GRUWEZ


For Herman de Coninck

In men it's cold and frequently December.
In women it is mostly May.
They want to shimmer all their lives,


For Toon Tellegen


Machines quite gentle are called for
for one fine day to fly to nowhere.


Voor Totje
Laat ons naar Wijvenheide gaan.
Hoe Jammerlijk dat afstanden bestaan,
maar wie per se naar Wijvenheide wil,
komt ook in Wijvenheide aan.

Laat ons naar Wijvenheide gaan.
Daar strijken karekieten neer.
De rietpluim wuift wie straks weer
weg moet, nu al uitgebreid ten afscheid.

Laat ons naar Wijvenheide gaan.
In Wijvenheide ligt een groot geheim:
de zilverreiger broedt er op een spiegelei.


For Totje
Let's head for Wijvenheide then.
What a shame that distances extend,
but those with Wijvenheide in their sights
will get to Wijvenheide in the end.

Let's head for Wijvenheide then.
Reed warblers land there from the skies.
Reed tufts wave long advance goodbyes
to those who soon will have to leave again.

Let's head for Wijvenheide then.
In Wijvenheide a great secret's kept:
The egret's trying to hatch a soft-fried egg.


En als er geen tederheid meer is,
laten wij de tederheid dan veinzen
met geblinddoekte handen en geloken ogen,
liggend aan elkander als een grens.

Een woord mag dan niet langer een woord heten,
maar een mondvol troostvol verzwijgen;
en verlangen niet langer een armslag lang,
maar verder, weidser dan een vergezicht

vol zomervogels, muziek van Mendelssohn, een sfumato
aan Da Vinci ontleend. Jij zult je mooiste medelijden
ruilen met mijn liefste verdriet; ik, voorzichtig talmen
om het tanen van je lichaam dieper af te tasten.

O als er dan nog tederheid is,
laten wij de tederheid vrezen
als een zeer oud zeer. Zoveel tederheid,
daar kon geen mens ooit tegen.


And if there is no longer any tenderness,
let us then pretend this tenderness
with blindfold hands and eyes half closed,
lying against each other like a frontier.

A word may then no longer be called a word,
but a mouthful of comforting silence;
and longing no longer the length of an arm,
but further, and more distant than a panoramic view

full of summer birds, music by Mendelssohn, a sfumato
derived from Da Vinci. You will swap your most beautiful pity
for my favourite sorrow; I, carefully taking time
to explore more deeply the fading of your body.

O, if there is then still tenderness,
this tenderness should be dreaded
like a very old wound. So much tenderness
no man could ever stand.